Het ouderschap brengt herkenbare uitdagingen met zich mee, waar je ook woont. We vinden het leuk af en toe iemand van buiten Limburg aan het woord te laten. Dit keer is dat Sarieke. Ze is 39 jaar, heeft een dochter van 1,5 en woont in Groenekan, Utrecht.
Het begon zo idyllisch. Een vroege lentemorgen. Een dun laagje rijp op de velden schittert in de opkomende zon. Één fiets, twee warme adempluimen in de koele lucht. Op pad met mijn kleine meid, anderhalf jaar nu.
We fietsen door de weilanden naar het bos. Ik ga graag met haar de natuur in en merk dat zij fietsen leuker vindt dan geduwd worden in de kinderwagen. Geef haar eens ongelijk: lekker hoog, goed zicht, een beetje snelheid, wie doet je wat. Haar wijsvingers gaan alle kanten op. ‘Dat?’ ‘Dat?’ ‘Daaaat?!’ Of ze houdt haar handen losjes in de lucht met gespreide vingers om de wind ertussen te voelen. Brabbelen doet ze honderduit. Ik versta ongeveer 10%, maar het klinkt positief en opwindend.
Sinds kort kan de jongedame ook lopen. Dus ergens halverwege de tocht, op een vrij recht en vlak bospad, maak ik haar los uit het zitje om even zelf te lopen. Ze vindt het vast leuk om haar nieuw verworven vaardigheid te oefenen op nieuw terrein, denk ik. ‘Als we stil zijn, zien we misschien wel een hertje,’ hoor ik mezelf zeggen. En op een paar ‘oh nees’ na, wanneer ze valt en haar handen onder het zand zitten, is ze ook stil. In opperste concentratie zet ze dappere stappen op haar eerste schoenen.
Met de fiets aan de hand loop ik mee. Af en toe maak ik een foto. ‘Haar eerste boswandeling’ app ik naar de familie. Ik til haar op wanneer ze valt en veeg haar handen schoon. Na de zoveelste ‘oh nee’ probeer ik haar duidelijk te maken dat het niet zo erg is als er wat zand op je handen zit. We sukkelen door. Tempo zit er natuurlijk niet in en gezien de afstand die we nog moeten en het feit dat ze straks moe wordt, besluit ik haar weer op de fiets te hijsen.
Daar denkt mevrouw anders over. Van nul tot honderd decibel in één seconde. Deze dreumes wil blijven lopen en houdt niet alleen haar poot stijf, maar haar hele lijf. Het kleine lichaam en alle ledematen voelen als planken in mijn armen en evengoed weet ze te spartelen, het is bewonderenswaardig. Luid gekrijs buldert door het stille bos. Als er al hertjes waren, dan zijn die nu vertrokken.
Tja, wat doe je? Eraan toegeven is geen optie. Lopend met haar snelheid zouden we voor het avondeten nog niet thuis zijn. Voor even doorlopen? Dat zou alleen maar uitstel van executie zijn. Bovendien, ik heb er niet voor gestudeerd, maar het lijkt me pedagogisch niet verantwoord om te zwichten voor driftbuien.
Dus kies ik voor de strijd. En hoewel dit kind behoorlijk sterk is, win ik die natuurlijk. Vraag me niet hoe, maar ze eindigt ingesnoerd in het kinderzitje. Niet strak, maar toch. Volledig onderuitgezakt huilt ze nog een halve kilometer door, maar zodra we het bos uit fietsen, gaat het over in zacht gejammer. En wanneer we even stoppen om (vanuit het zitje!) twee paarden in de wei te bewonderen, lijkt zij het grote verdriet alweer vergeten te zijn.
Niet veel later valt het kindeke in slaap, fietsend nog. Moe van al dat lopen en het drama zal ook de nodige energie hebben gekost. Met mijn linkerhand onder haar hoofd en mijn rechterhand aan het stuur, minder ik vaart, want ik heb nog maar één handrem. Vredig fietsen we langs de weilanden terug naar huis.
